Recensie van: Olivier Boehme, Europa: een geschiedenis van grensnaties, Uitgeverij Polis, 2016 (471 blz.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (2)favorite (2)

“De geschiedenis van Europa loopt over de naden daarvan. Het verleden en heden van zijn grenslanden, of ze nu een regio of een natie zijn, raken aan de zijnskern van het continent.” (p. 402)

De eerste twee zinnen van de slotsom vatten goed samen waar Europa: een geschiedenis van grensnaties door Olivier Boehme over gaat. Die ‘naden van Europa’ worden volgens de Gentse historicus gevormd door ‘grensnaties’: landen die grenzen hebben maar ook grenzen zijn.

Olivier boehme een geschiedenis van grensnaties.jpgDe eerste voorbeelden die aan bod komen zijn Nederland, België, Luxemburg en Zwitserland. Deze staten zijn de erfgenamen van het zogenoemde ‘Middenrijk’: het middelste stuk van het rijk van Karel de Grote dat Lotharius in 843 kreeg, samen met de keizerskroon. De twee andere kleinzonen – Karel de Kale en Lodewijk de Duitser – staken respectievelijk de contreien ten Westen en ten Oosten van deze middenstrook op zak.

In de elf eeuwen na het verdrag van Verdun viel het Middenrijk als een droge klomp aarde uit elkaar. Tussen twee grotere machtscentra (Frankrijk en Duitsland) ontstonden grensnaties die, door het gebrek aan een eenduidige geschiedenis, worstelden met hun zelfbeeld.

Door hun delicate positionering profileerden ze zich noodgedwongen als ontmoetingsplaatsen, culturele kruispunten of mediators. Die idealistische cosmetica was ook broodnodig, want als fragiele landjes bestonden ze bij de gratie van hun machtigere buren.

Voor het jonge België was de geopolitieke ligging bijvoorbeeld ronduit akelig:

Aan Franse annexatie ontsnapte het alleen zolang de andere grote staten dat verhinderden, want de eigen defensie was te zwak om op te kunnen rekenen. Het Belgische ministerie van buitenlandse zaken was er zich goed van bewust dat de garantie voor de eigen onafhankelijke en neutrale status afhing van de opvattingen die leefden bij de grote mogendheden. (p. 83)

Naast deze kleinere grensnaties komen nog twee grotere aan bod: Duitsland en de Oostenrijks-Hongaarse dubbbelmonarchie. Het uiteenvallen van de Donaumonarchie toont onder meer aan hoe de bemiddelende rol van grensnaties ook tot onoverkomelijke identiteitsproblemen kan leiden.

Duitsland lijkt een vreemde eend in de bijt, maar het kende net zo goed een kwetsbare geografische positie tussen het Russische rijk in het Oosten en Frankrijk/Engeland in het Westen. Duitsland werd ook pas in 1871 een echte staat: na jaren van politieke verbrokkeling zocht het weifelend zijn plaats in “het Europese concert”.

Olivier Boehme biedt met zijn Europa een originele kijk op de geschiedenis van het continent. Hij beschrijft de geschiedenis van Europese grensnaties uitvoerig en bijzonder gedetailleerd. Daarnaast is het verhaal doorspekt met erudiete bedenkingen en complexe theorieën van politici, schrijvers, filosofen en historici. Dat alles maakt het boek tot een erg interessante, maar ook bijzonder stevige kluif. Het overzicht bewaren is niet altijd even eenvoudig, dus de kaartjes achterin het boek komen vaak als geroepen.

Slotsom: een erg boeiende, vernieuwende kijk op de geschiedenis van Europa, maar wel eentje voor lezers met uithoudingsvermogen.