Recensie van: A.C. GRAYLING, De Tijd van het Genie: de zeventiende eeuw en de geboorte van het moderne denken (Oorpronkelijk: The Age of Genius, the seventeenth century and the birth of the modern mind, Hollands diep, 2016 (447 BLZ.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)half-starfavorite (2)

In de zeventiende eeuw kreeg Europa het zwaar te verduren. Verwoestende oorlogen, uitputtende hongersnoden en moordende pestepidemieën geselden afwisselend het continent. Vooral het Heilige Roomse Rijk werd in de nasleep van de reformatie herleid tot een kaalgeplunderde puinhoop: de Dertigjarige oorlog (1618-1648) kostte naar schatting aan een derde van de toenmalige Duitssprekende bevolking het leven.

de-tijd-van-het-genie-de-zeventiende-eeuw-en-de-geboorte-van-het-moderne-denkenTe midden van deze destructieve shitstorm kreeg onze moderne wereld vorm. Dat is althans de boude stelling die filosoof en ideeënhistoricus A.C. Grayling uitvoerig verdedigt in zijn boek De Tijd van het Genie. Op het vlak van kunst, literatuur, filosofie, politiek en wetenschap werden reuzenschreden vooruitgezet, stelt de Britse academicus vast, voortgestuwd door een fundamentele verschuiving in het denken: de overgang van theocentrische houdingen naar de redeneringen van het seculiere intellect.

Het boek begint met een vrij breed uiteengezette reconstructie van de Dertigjarige Oorlog, een onwaarschijnlijk vuil en complex conflict veroorzaakt door een schier onontwarbaar kluwen van religieuze, dynastieke en economische motieven.

A.C. Grayling vertelt een interessant en overzichtelijk verhaal, maar toch vormt dit eerste hoofdstuk meteen een zware dobber. Voor de centrale argumentatie van het boek van wal steekt, ben je goed 150 pagina’s ver en zijn tientallen keurvorsten en minstens evenveel veldslagen de revue gepasseerd. Boeiend en noodzakelijk voor de context, maar bijwijlen ook wel doorbijten geblazen.

It is an ill wind that blows no one any good, betoogt Grayling in zijn besluit van de vernietigende Dertigjarige Oorlog. Hij toont overtuigend aan dat deze tijd van onzekerheid ook nieuwe communicatie- en postnetwerken doet opbloeien. Figuren als de Franse theoloog Marin Mersenne (1588-1648) beginnen te fungeren als ‘de internetservers van de zeventiende eeuw’:

De vergelijking is zo gek nog niet. Hij ontving brieven van bijna alle grote geleerden uit die tijd, die hij vervolgens kopieerde en verspreidde om nieuws, opinies, ontdekkingen en vermoedens heel Europa door te sturen. Kopieën van zijn correspondentie waren voor elke bezoeker verkrijgbaar in zijn logies, en omdat Parijs een groot intellectueel centrum was, kwamen velen naar hem toe als een soort nieuwsbibliotheek van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen. (p. 154-155)

Mede dankzij deze cultuur van brievenschrijvers circuleerden de ideeën van denkers als René Descartes, Thomas Hobbes en Pierre Gassendi vlotjes doorheen Europa.

Hieruit kwam de ‘wetenschappelijke methode’ echter niet zomaar voort. Alchemie, kabbalistiek en magie tierden nog welig in de zeventiende eeuw, ook bij denkers waarvan we het niet altijd verwachten. Robert Boyle legde de fundamenten van de moderne scheikunde, maar was even toegewijd op zoek naar de Steen der Wijzen. Zelfs Isaac Newton ging, geplaagd door mystieke fantasieën, op zoek naar geheime boodschappen in het evangelie volgens Johannes.

Deze noodzakelijke passage op weg naar de ‘echte’ wetenschap vormt een erg smakelijk deel van het boek. Het hoofdstuk over de Britse magiër dr. John Dee en diens rechterhand, de meesteroplichter Edward Kelley, is een hoogtepunt. Daarna komen ook de Rozenkruisers – en de vraag of Descartes er eentje was – nog aan bod.

john-dee
Dr. John Dee voerde uitvoerige gesprekken met de engelen.

In het vierde en vijfde deel komt Grayling tot de kern van zijn betoog. Hij schetst hoe de de wetenschappelijke methode ontstond – van Galileo Galilei tot Christiaan Huygens – en hoe maatschappij, politiek en geloof (met een glansrol voor Spinoza) zo ingrijpend veranderden dat we er vandaag de gevolgen nog van ondervinden.

De schrijver is zich er goed van bewust dat geschiedschrijving een bezigheid post factum is: “niet iedereen kende of waardeerde de eigenschappen van zijn tijd die later de daaropvolgende periode bleken te vormen en sturen op manieren waar wij in retrospectief nadruk op leggen.” (p. 37). Toch is Grayling ervan overtuigd dat er zich in de zeventiende eeuw een cruciale koerswijziging afspeelde. Dat onderbouwt hij zorgvuldig, onderhoudend én overtuigend – ook al beseft hij dat niet alle historici zijn mening delen. Hoe dan ook is De Tijd van het Genie is een meeslepende en prikkelende visie op een bijzondere eeuw.

Het slotakkoord van het boek is ietwat somber en legt een grote verantwoordelijkheid bij leerkrachten en docenten:

Oude verhalen en overtuigingen krijgen opnieuw voet aan de grond in delen van de wereld waar ze nooit geheel of zelfs maar gedeeltelijk hun grip verloren. Ambassadeurs van deze oude verhalen en overtuigingen gebruiken maar wat graag de technologieën die de nieuwe geest heeft ontwikkeld om de heerschappij van de oude geest weer in het zadel te helpen. Zo gebruiken terroristen antivliegtuigraketten en mobiele telefoons, uitvindingen uit een wereld die hun wereldbeeld vier eeuwen geleden verwierp. De mensheid bevindt zich in een flessenhals vol tegenstrijdigheden, in een moment van gevaar. (…) Dat vraagt om een nieuw mythisch avontuur: de wereld moet volledig in staat worden gesteld om de geest te gebruiken die werd geboren te midden van alle omwentelingen in de zeventiende eeuw. (p. 398-399)