Recensie van: Etienne Vermeersch, Over God, Uitgeverij Vrijdag, 2016 (140 blz.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (2)favorite (2)

In 2015 vroeg de Ierse tv-presentator Gay Byrne aan Stephen Fry wat hij tegen god zou zeggen, mocht hij de almachtige op een blauwe maandag tegen het – allicht onstoffelijke – lijf lopen.

Fry’s antwoord werd een instant YouTube-hit getiteld Stephen Fry annihilates god. De essentie komt hierop neer: “Why should I respect a capricious, mean-minded, stupid God who creates a world which is so full of injustice and pain?”

Maandelijks boekentips in je mailbox?-3 kopie

Net zoals Fry zit Vlaanderens bekendste filosoof Etienne Vermeersch niet om een straffe uitspraak over de schepper verlegen (“Als ik god was, ik zou het beter gedaan hebben”, om er maar eentje te noemen).

over-god-etienne-vermeersch-boekIn zijn recente boek ‘Over God’ vat de professor emeritus nog eens bondig samen waarom de god van het christendom vanuit een rationele denkwijze onmogelijk te verdedigen is.

Zelf noemt Vermeersch het boek een ‘tussendoortje’. Hij werkt momenteel aan een omvangrijker werk over de ultieme definitie van het woord informatie, maar stofte in tussentijd een aantal oudere teksten af. De kern van het boek wordt gevormd door zijn kort vertoog over de god van het christendom – dat al dateert van 1993 – en een postscriptum waarin hij enkele reacties op dat vertoog behandelde.

Het wordt voorafgegaan door twee inleidende hoofdstukjes of prolegomena. In het eerste vertelt Vermeersch over zijn godvruchtige jeugdjaren in het West-Vlaamse Sint-Michiels. Als vrome misdienaar stelde hij god aanvankelijk niet in vraag, tot een boek (Zuster Virgilia van Gerard Walschap) zijn geloof voor het eerst deed wankelen.

Ondanks deze crisis volgde Vermeersch het voorbeeld van Søren Kierkegaard: hij maakte een ‘sprong naar god’, trad in bij de Jezuïeten en besloot priester te worden. In het klooster stelde de novice echter verschillende ‘interne zwakheden en inconsistenties in het systeem vast’, om uiteindelijk uit te treden en het pad richting atheïsme in te slaan.

Met deze persoonlijke geschiedenis onderstreept Vermeersch zijn begrip voor mensen die maar moeilijk ‘van god los’ raken:

Mijn eigen ervaringen hebben geleerd dat tussen rationeel inzicht en persoonlijke emotionele aanvaarding een kloof kan bestaan die soms moeilijk te dichten is. (p. 20)

Ook het tweede prolegomenon houdt hiermee verband. Daarin behandelt Vermeersch kort de theorie over cognitieve dissonantie van de Amerikaanse sociaal psycholoog Leon Festinger. Deze theorie verklaart waarom mensen vaak angstvallig vasthouden aan opvattingen waaraan ze zeer gehecht zijn (bijvoorbeeld door diepgewortelde familietradities of een sterke persoonlijke betrokkenheid), zelfs als ze geconfronteerd worden met informatie die radicaal in strijd is met deze opvattingen.

De beide hoofdstukjes vormen interessante kanttekeningen bij het systematische, rationeel-wetenschappelijke betoog dat erop volgt. In het kort vertoog (dat overigens ook op de website van Vermeersch te lezen is) en het postscriptum fileert Vermeersch vakkundig de god van het christendom en de meest courante tegenwerpingen van zowel traditionalisten als progressieve gelovigen. Met kraakheldere redeneringen en zonder overbodig jeremiëren, overloopt Vermeersch zijn argumenten.

Deze teksten mogen dan wel oud zijn, ze hebben duidelijk de tand des tijds doorstaan. In een afsluitend derde deel belicht Vermeersch de verschillende standpunten uit het ‘god versus science‘-debat dat in 1992 en 1993 werd gevoerd op de correspondentiepagina’s van het wetenschappelijke magazine Nature. 

Opmerkelijk is dat de auteur afsluit met een korte schets van de voornaamste vertegenwoordigers van het New Atheism, de vernieuwingsbeweging die rond 2004 op gang kwam met een stroom van antireligieuze boeken geschreven door onder meer Richard Dawkins, Sam Harris, Christopher Hitchens en Daniel Dennett (de zogenoemde ‘ruiters van de apocalyps’).

‘Over God’ is een vrij dun boekje en leest als een soort recap. Wie Vermeersch en zijn werk een beetje kent, vindt er zo goed als niets nieuws in terug. Vooral het nawoord is zo overschouwend en samenvattend dat het eigenlijk niet veel meer is dan een beknopte New Atheism for Dummies.

Dat neemt niet weg dat de kern van het boek aangename lectuur blijft: de lucide overtuigingskracht waarmee Vermeersch de god van het christendom – en zijlings ook die van de islam – afvoert, is aanstekelijk en zet nog steeds aan tot denken. Typisch Vermeersch: met “een tussendoortje” bedacht hij zelf wellicht de beste omschrijving van zijn boek.

Blijf op de hoogte via Facebook en Twitter of abonneer je op de VDF-nieuwsbrief