Recensie van: Ignaas Devisch, Rusteloosheid: pleidooi voor een mateloos leven, De Bezige Bij, 2016 (272 p.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)half-starfavorite (2)

“Niets doen is geen optie”, zingt Wannes Cappelle van Het Zesde metaal.

ignaas-devisch-rusteloosheid-pleidooi-voor-een-mateloos-levenRusteloosheid: pleidooi voor een mateloos leven van Ignaas Devisch begint met een gelijkaardige vaststelling. De hoogleraar ethiek en filosofie aan universiteit van Gent verbaast zich erover dat we er maar niet in lijken te slagen om niets te doen. We klagen met z’n allen steen en been over de drukte van ons dagelijkse leven, maar tegelijk plamuren we vakkundig onze vrije avonden en weekends vol met activiteiten.

Het is een observatie die al stamt uit de zeventiende eeuw. Volgens Blaise Pascal (1623-1662) had de ellende van de mensen maar één oorzaak, namelijk ‘dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven’.

Deze ‘kamer van Pascal’ vormt de rode draad van het boek. Ignaas Devisch gaat op zoek naar een antwoord op deze vraag: waarom zeuren we over onrust en kunnen we ons tegelijkertijd geen leven zonder tijdsdruk voorstellen?’

In het eerste deel toont Devisch overtuigend aan dat drukte en opgejaagdheid niet noodzakelijk ziektes van deze tijd zijn. Zijn korte ideeëngeschiedenis van de moderne rusteloosheid begint al in de veertiende eeuw en houdt halt bij historici, romanschrijvers en filosofen. Het leuke aan dit cultuurfilosofische overzicht is dat bekende denkers zoals Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau, Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer worden gecombineerd met minder bekende of vergeten wijsgeren en een bont allegaartje van kunstenaars en muzikanten.

Langzaam ontstaat een duidelijk spanningsveld, met rusteloosheid aan de ene kant en verveling aan de andere. De moderne mens worstelt met de zoektocht naar een evenwicht tussen twee extremen. Opnieuw is het Blaise Pascal die de beste samenvatting geeft:

Zo gaat het hele leven voorbij. We streven naar een rustig leven door te strijden tegen het een of ander dat in de weg staat, en als we het uit de weg geruimd hebben, wordt de rust ondraaglijk door de verveling die ze veroorzaakt. We moeten daaraan ontsnappen en kunnen niet anders dan om drukte smeken.

In het tweede deel gaat Devisch over van beschrijven naar verklaren. Aan de hand van historisch bronnenmateriaal en sociologische analyses schetst hij drie grote evoluties die ervoor zorgen dat moderne mensen zowel met een onweerstaanbare drang naar voren als met oververmoeidheid kampen: versnelling, secularisatie en individualisering.

Technologische ontwikkelingen maken communicatielijnen steeds korter. We zijn always on en altijd up-to-date. Onze economie versnelt, waardoor de concurrentiestrijd er niet malser op wordt. In een seculiere samenleving rekenen we niet op een hiernamaals, waardoor alles hier en nu moet gebeuren. En omdat het individu steeds centraler is komen te staan als uitgangspunt van onze samenleving is de wereld – in de woorden van de Italiaanse kunstenaar Benvenuto Cellini – “een middel geworden om onszelf te ontplooien, een forum om ons ego glorie en aanschijn te geven”.

We moeten onszelf ontwikkelen, alles beleven en zo veel mogelijk waarmaken. We leven, tenslotte, maar één keer. Alles is mogelijk, maar net dat put ons uit.

Devisch maakt een interessant onderscheid tussen onrust en rusteloosheid. Met het eerste bedoelt hij de kwalijke effecten van de toenemende tijdsdruk en prestatiedrang in onze samenleving. Die maatschappelijke processen ontkent hij niet, maar rusteloosheid ziet hij als een fundamentelere drijfveer:

Onrust situeer ik in het verlengde van het versnellingsproces. (…) Daarnaast is er iets wat ons vooruit stuwt en dat noem ik rusteloosheid. Rusteloosheid ontstaat als we klagen over drukte en tegelijkertijd bang zijn voor verveling. (p. 183-184)

Deze ‘niet te stillen wereldhonger’ vormt de kern van Devisch’ slotpleidooi. Zoals de titel van het boek al aangeeft, breekt de Gentse filosoof een lans voor mateloosheid.

Maatschappelijke trends om ‘langzamer te leven’ zijn volgens hem niet noodzakelijk een oplossing. We houden het misschien wel even uit in de fameuze kamer van Pascal, maar al snel loeren verveling en melancholie om de hoek.

De lezer krijgt aan het eind een duidelijke slotvraag voorgeschoteld: is de menselijke rusteloosheid wel een probleem? Of is het net de drijfveer voor een passioneel en creatief leven? Devisch pleit voor het tweede, met als belangrijke kanttekening dat ‘voelen dat je leeft’ ook betekent: ‘voelen dat wat je doet van waarde is’. Zolang we ons leven kunnen wijden aan zinvolle zaken hoeft een gezapig leven niet beter te zijn dan een druk bestaan.

Rusteloosheid is een filosofisch boek maar wordt nergens saai of langdradig. Het leest als een lang hoorcollege van het soort professor waar iedereen les van hoopt te krijgen: een vlotte verteller die studenten weet te boeien met interessante zijsprongetjes en een levendige stijl, maar tegelijk ook een zorgvuldig geconstrueerd en overschouwbaar betoog uiteenzet.

Warm aanbevolen. Als u het niet te druk heeft tenminste.

Titelfoto: Michiel Hendryckx via Wikimedia Commons