Recensie van: Matthias M.R. Declercq, De Val, Manteau, 2016 (283 p.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (1)

de-val-matthias-mr-declerq-manteau-2016Wie op de Zonneputtragel langs de Schelde van Gent naar Oudenaarde fietst, passeert al snel een onopvallend bakstenen muurtje.

Het metselwerkje van zo’n anderhalve meter hoog staat vlakbij Estaminet De Meersbloem en draagt de foto’s van drie jongemannen: Frederiek Nolf, Wouter Weylandt en Dimitri De Fauw. Alle drie waren het wielrenners die duizenden kilometers trainden op dit jaagpad. Alle drie waren het dromende twintigers die veel te vroeg stierven.

Ze maakten deel uit van het zogenoemde Scheldepeloton, een groep vrienden die aan het begin van deze eeuw op de poorten van de professionele wielrennerij beukte. Over het onwaarschijnlijke en bikkelharde noodlot dat hen overrompelde, schreef Matthias M.R. Declercq een meeslepend, poëtisch en bij momenten hartverscheurend boek.

Vijf renners zijn de kern van het trainingskliekje én de hoofdrolspelers van De Val. Ze worden voorgesteld naast een ander belangrijk personage in dit verhaal: De Schelde.

Het peloton waait uit. Vissers dalen de opgehoogde berm af, boswachters zoeken valken en hazen, geliefden verdwijnen in de dichte struiken en fietsers horen alleen nog het gezoem van dunne bandjes, fluitende vogels en de klotsende golfslag van een voorbijglijdend vrachtschip. Soms is de Schelde blauw, soms zwart, of groen, soms drijven schuimkoppen op het water. De vijf vatten nu, begin jaren 2000 hun tocht aan. Ze trainen op het jaagpad, rijden tientallen, honderden, duizenden keren van Gent naar Oudenaarde en terug. (…) Hun namen: Iljo Keisse, Dimitri De Fauw, Wouter Weylandt, Kurt Hovelijnck en Bert De Backer. Hun doel: de koers. (p. 41-42)

Matthias M.R. Declercq – journalist voor onder meer De Morgen, De Volkskrant en het geweldige wielertijdschrift Bahamontes – weeft een web van verhaallijnen. Van Stan Ockers tot Frank Vandenbroucke, il bimbo d’oro. In hart van dat web zitten de vijf Schelderenners gevangen.

De val en het overlijden van de Spaanse baanwielrenner Isaac Gálvez vormt het begin van wat een onafwendbare kettingreactie lijkt te zijn. Tijdens de Zesdaagse van Gent in 2006 haakt zijn stuur vast in dat van Dimitri De Fauw. Achtervolgd door schuldgevoelens en een sensatiebelust journaille rijdt ‘Dimi’ zich onherroepelijk vast. Hij kiest uiteindelijk een wanhoopsdaad als uitweg. Iljo Keisse test positief en wordt meegesleurd in een eindeloos aanslepend proces. Frederiek Nolf gaat slapen in Qatar, maar wordt nooit meer wakker. Kurt Hovelijnck komt zwaar ten val en belandt in een coma. Hij vecht terug met de moed der wanhoop maar moet uiteindelijk de fiets aan de haak hangen, dromend van wat had kunnen zijn. En dan is er nog het smartelijke slotakkoord, de genadeslag: de val en het overlijden van Wouter Weylandt in de Giro van 2011.

Zij die overblijven worden wakker in een nieuwe wereld zonder zekerheden. Waar zij, jaren geleden, blindelings voor kozen – de koers – heeft alles afgenomen. (p. 250)

De Val mag dan een boek over wielrenners zijn, het is beslist geen koersboek. Het gaat over ambitie, vriendschap, het leven en de meedogenloze willekeur van het noodlot. Declercq schrijft poëtisch, maar wordt nooit lyrisch of stroperig. Hij stileert de werkelijkheid, maar creëert geen helden of kartonnen personages.

Het verhaal is opgetekend zoals het wordt herinnerd, door de mensen die hele flarden of slechts een klein deeltje van dichtbij meemaakten. Achteraan het boek staat een indrukwekkende bronnenlijst. Niet van naslagwerken, maar van mensen. Het resultaat is – in de woorden van Frank Westerman – ‘literatuur van de feiten’ in zijn puurste vorm.

Dit is meeslepende non-fictie van de bovenste plank: een ellendig mooie vertelling, maar ook een rauwe en correcte reconstructie van een bloedstollende kluif sportgeschiedenis.

Opvallend: de auteur maakt deel uit van een schrijverscollectief dat ‘Jaagpad‘ heet. Op hun website staat een introductietekst die perfect omschrijft hoe dit boek tot stand moet zijn gekomen:

“Jaagpad houdt van mensen. En van taal, het bed waarin ze samen landen. Jaagpad neemt tijd voor de mens, zijn vertelling, zijn landschap. Met zachte pen neergeschreven, naast de rijbaan waar het flitst.”

Titelfoto: Michiel Verbeek via Wikimedia Commons