Recensie van: Ruben Mersch, Waarom Iedereen Altijd Gelijk Heeft, De Bezige Bij, 2016 (271 p.)

Review: favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (1)favorite (2)

waarom-iedereen-altijd-gelijk-heeft-ruben-mersch-de-bezige-bij-2016“Als je het zo stelt … dan kan ik me wel in je standpunt vinden.” Voor zover ik me kan herinneren, heb ik nog nooit een internetdiscussie gelezen die op deze manier eindigde. Slotsommen als “politiek correcte zeikerd” of “rechtse zak” zijn grotere kanshebbers. Offline gaat het er zelden beter aan toe. Hoeveel familiale kerstdiners zijn binnenkort weer om zeep omdat nonkel Wilfried niet de ijstaart, maar wel de vluchtelingencrisis aansneed?

Hoe komt het dat we er maar niet in slagen om op een constructieve manier van mening te verschillen? Waarom bekampen we elkaar steevast met het mes tussen de tanden, overtuigd van ons eigen grote gelijk? In Waarom Iedereen Altijd Gelijk Heeft gaat de Vlaamse bioloog en filosoof Ruben Mersch op zoek naar het antwoord op die vraag.

Het resultaat is – net zoals Oogklepdenken uit 2012 – een verhelderende en humoristische uiteenzetting, geschraagd door de bevindingen van psychologen, antropologen, biologen en filosofen.

Onze onderbuik zwaait de plak

Als kinderen van de Verlichting, beschouwen we onszelf graag als rationele wezens. We gaan ervan uit dat onze overtuigingen en morele oordelen gebaseerd zijn op zorgvuldige afwegingen en knap denkwerk. Die illusie haalt Mersch in de eerste hoofdstukken van zijn boek genadeloos onderuit. Bouwend op verschillende onderzoeken toont hij aan dat niet onze rede, maar wel onze onderbuik de plak zwaait.

Dat illustreert hij onder meer met het volgende gedachte-experiment:

Julie en Mark, zus en broer, gaan samen op reis naar Frankrijk. Ze hebben beiden vakantie van de universiteit. Op een nacht slapen ze samen in een tentje op het strand. Ze besluiten dat het leuk zou zijn als ze met elkaar naar bed gingen. Julie neemt de pil, maar voor alle zekerheid gebruikt Mark ook een condoom. Ze genieten er allebei van, maar besluiten toch het bij die ene keer te laten. Die ene nacht is hun geheim, ze vertellen het aan niemand, en door die nacht voelen ze zich nog sterker met elkaar verbonden. (p. 32)

Goed of fout? Veel mensen voelen al snel aan of ze dit wel of niet oké vinden. Duidelijk beargumenteren waarom dat zo is, blijkt echter een pak moeilijker.

Mersch stelde dezelfde vraag tijdens een aflevering van de talkshow Van Gils & Gasten. Rond de tafel zie je de onderbuik overnemen: actrice Lize Feryn fronst meteen bedenkelijk, terwijl haar beroepsgenoten Warre Borgmans en Koen De Graeve wat zenuwachtig beginnen te gniffelen.

Eigen werkelijkheid eerst

“Moraliteit is een oud beestje”, stelt de auteur: we zijn niet door lang nadenken en filosoferen moreel geworden, maar wel door onze evolutionaire geschiedenis. Mensen zijn het nu eenmaal gewoon om hun stamgenoten achterna te hollen.

Ook onze meningen en overtuigingen worden in grote mate gestuurd door de ‘morele stam’ waartoe we behoren. Onder het motto ‘eigen werkelijkheid eerst’ beklemtonen we het ene argument en relativeren – of negeren – we het andere. We kiezen de interpretatie die het best bij onze onderbuik past. Als goede stamleden gaan we tot het uiterste om onze meningen te verdedigen, ook als daar een ‘zeikerd’ of ‘zak’ voor nodig is.

Meestal gebruiken we feiten zoals een zatlap een lantaarnpaal gebruikt. Niet als verlichting, maar enkel als ondersteuning.

De arena van de wetenschap

Ter verdediging van de mens: het ‘juiste’ standpunt innemen is verre van eenvoudig. “De werkelijkheid is een complex beestje vol grijstinten, vol onzekerheden en mitsen en maren”, schrijft Mersch. Het deed me weifelend terugdenken aan die recensie van vorige week: het betoog van Luckas Vander Taelen kon mij overtuigen, maar houdt het ook rekening met alle grijstinten, mitsen en maren?

In het afsluitende hoofdstuk pleit Mersch daarom voor meer en betere wetenschap, de arena waarin iedereen bereid moet zijn om standpunten te herzien op basis van de sterkte en de richting van het geleverde bewijsmateriaal. Ook in ordinaire cafédiscussies moeten we die rationele houding zo veel mogelijk proberen aan te houden, besluit hij.

Op de schouders van reuzen

Waarom Iedereen Altijd Gelijk Heeft steunt op het academische werk van verschillende wetenschappers (“op de schouders van reuzen”, aldus Mersch). Hij vat samen, combineert, legt prikkelende verbanden en overgiet alles royaal met een saus van persoonlijk anekdotes en amusante feitelijkheden. Duik je graag zelf in de academische literatuur? Doe dat dan vooral. Zak je liever achterover met een hoogst vermakelijke stand van de wetenschap die ook nog eens leest als een trein, dan is dit boek voor jou.

Schildpadden hebben, net zoals psychopaten, geen inlevingsvermogen. Jezidi’s eten geen sla. En John Harvey Kellogg hoopte met zijn ontbijtgranen masturbatie te bestrijden. Het zijn nog maar enkele van de vele wetenswaardigheden die van dit boek een schatkist maken. Zelfs al ben je het niet eens met alle stellingen van Mersch: je volgende avond op café wordt geheid een succes. Tenzij je weer in een kletterende discussie belandt. Dat kan ook.

Blijf op de hoogte via Facebook en Twitter of abonneer je op de VDF-nieuwsbrief

Titelfoto: “Discussing the War in a Paris Café”, verschenen in Illustrated London News op 17 september 1870, via Wikimedia Commons.